Het nieuwe kabinet werkt stap voor stap aan een ingrijpende hervorming van de regels rond zelfstandigen zonder personeel. Eerst komt er een wettelijk rechtsvermoeden van werknemerschap voor lage uurtarieven, gevolgd door een bredere Zelfstandigenwet met nieuwe toetsen voor ondernemerschap en werkrelaties. Tegelijk blijft een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp’ers op de agenda staan. Daarmee kiest het kabinet zichtbaar voor meer duidelijkheid én meer bescherming binnen de flexibele arbeidsmarkt.
Eerste stap: rechtsvermoeden van werknemerschap
De hervorming begint met invoering van het zogenoemde rechtsvermoeden van werknemerschap. Zzp’ers die tegen een laag tarief werken, kunnen daarmee eenvoudiger aanspraak maken op werknemersrechten zoals loondoorbetaling bij ziekte, ontslagbescherming en sociale zekerheid.
Dit onderdeel komt voort uit het zogeheten R-deel van het eerdere wetsvoorstel VBAR. Het kabinet laat het verduidelijkingsdeel uit dat voorstel los en focust zich volledig op het versterken van de juridische positie aan de onderkant van de markt.
Nieuw is dat er wordt gewerkt met sectorale rechtsvermoedens, waarbij per branche duidelijker wordt vastgelegd wanneer sprake is van feitelijk werknemerschap. Ook komt er een toetsingscommissie die vooraf uitspraken kan doen over concrete praktijksituaties rondom de inhuur van zelfstandigen.
Daarna: invoering van de Zelfstandigenwet
In een volgende fase wil het kabinet de Zelfstandigenwet invoeren, een initiatief dat eerder werd uitgewerkt door VVD, CDA en D66, mede ondersteund door de SGP.
Deze wet introduceert twee centrale toetsen. De ondernemerstoets kijkt of iemand daadwerkelijk als ondernemer opereert, met verplichtingen zoals pensioenopbouw en een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid. De werkrelatietoets beoordeelt of iemand voldoende zelfstandig en vrij kan werken, met criteria die als minder streng worden gezien dan de huidige regels.
Met deze aanpak wil het kabinet ruimte blijven bieden aan echte zelfstandigheid, terwijl schijnzelfstandigheid steviger wordt aangepakt.
Verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering blijft staan
Daarnaast houdt het kabinet vast aan de invoering van een verplichte basisverzekering voor arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen. Deze regeling moet worden uitgevoerd door het UWV, met een mogelijkheid voor zzp’ers om via een private verzekering een alternatief te kiezen.
Hoewel het wetsvoorstel al in voorbereiding is, wijzen zowel het UWV als de Belastingdienst erop dat de uitvoering op korte termijn grote uitdagingen kent. Vooral de administratieve lasten en controlecapaciteit vormen daarbij knelpunten.
Extra focus op publieke sectoren
In het regeerakkoord spreekt het kabinet ook expliciet de wens uit om werk in (semi-)publieke sectoren zoals zorg en onderwijs aantrekkelijker te maken in loondienst. Door beter werkgeverschap en sociale innovatie moet worden voorkomen dat grote groepen professionals deze sectoren verlaten voor zelfstandigheid.
Daarmee wil het kabinet de personeelstekorten aanpakken zonder volledig te leunen op flexibele inhuur.
Duidelijke koerswijziging, geen verrassing
Dat het kabinet de VBAR opsplitst, inzet op de Zelfstandigenwet en vasthoudt aan een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering komt voor velen niet onverwacht. Wel markeert vooral de Zelfstandigenwet een duidelijke breuk met het beleid van eerdere kabinetten.
Het uitgangspunt is helder: zelfstandigen blijven een vast onderdeel van de moderne arbeidsmarkt, maar alleen waar daadwerkelijk sprake is van ondernemerschap en keuzevrijheid. Tegelijk wordt de bescherming van kwetsbare werkenden aan de onderkant van de markt fors aangescherpt.
De komende jaren zullen uitwijzen hoe werkbaar de nieuwe regels zijn voor opdrachtgevers, zzp’ers en uitvoeringsinstanties, en of de balans tussen flexibiliteit en zekerheid daadwerkelijk wordt gevonden.






